▲▲▲▲

OGB Design Indische
Harderwijkers
Welkom Laatste Nieuws KUMPULAN Foto en Film Muziek Familie Albums Onze Veteranen Toen en Nu ... Historie Indische Cultuur Boeken Sociale Media Sponsoren Links Onze Nieuwsbrief Pasar Malam 2017 Contact
Familie Albums

FAMILIE VROLIJK


Mevrouw Vrolijk, of An zoals ze zichzelf voorstelt is iemand die haar naam eer aandoet; de vriendelijkheid zelve en getooid met een brede lach. Toch is haar leven niet over rozen gegaan en heeft ze veel verdriet gekend. Haar sterke persoonlijkheid en positieve houding hebben haar gebracht tot waar ze nu is, een vrouw van ver in de tachtig die nog strijdbaar is en nog graag haar verhaal eens wil vertellen.


Ze is geboren in Soerabaja op Java en woonde 8 jaar in Bandjermasin op Borneo, tot de oorlog uitbrak en de Jappen het eiland Borneo kwamen bezetten. Ze vluchtte met haar moeder en zusjes terug naar Java. Haar vader was militair en betrokken bij het vernietigen van de olie-installaties, voordat die in Japanse handen konden vallen. De familie kon nog net mee met het laatste legervliegtuig. Blanke officieren en hun vrouwen waren al eerder vertrokken. Het gezin kwam in Soerabaja terecht, waar ze de oorlog doorbrachten. Vader werd geïnterneerd in een krijgsgevangenkamp op Sumatra en werkte als dwangarbeider aan de beruchte Pakanbaru-spoorweg.


Moeder en de kinderen hoefden vanwege hun Indonesische achtergrond gelukkig niet opgesloten te worden. Na de bevrijding kwam de ‘merdekkatijd’, de vrijheidsstrijd van Indonesië. ‘We moesten weer op de vlucht en onze schamele bezittingen achterlaten. De Britten evacueerden ons per oorlogsschip naar Singapore. Eén jaar later konden we terugkeren naar een Marinebasis in Soerabaja.


We kregen daar nog een huis maar maakten al plannen naar Nederland te gaan. Mijn vader stuurde de twee jongste kinderen alvast vooruit naar Nederland. Louise (14 jaar) moest in Leiden een zware rugoperatie ondergaan. In juni 1949 kregen we bericht dat we ook naar Nederland moesten vertrekken. In Batavia werd één zusje van me besmet met pokken en de hele familie moest acht weken in quarantaine. Hoewel ze gehavend en verminkt werd door de pokken overleefde ze het gelukkig wel.


OGB DesignMet het M.S. Johan van Oldebarnevelt gingen we naar Nederland. Het verblijf zou maar tijdelijk zijn, dachten we. Ik paste aan boord op de kinderen van vrouwen die zeeziek waren en die blij waren even te kunnen rusten. We kwamen in september 1949 aan in Amsterdam en gingen wonen bij een tante die een pension in Den Helder runde. Daar werden we heel goed opgevangen, maar op straat was het niet leuk. We werden uitgejouwd en uitgescholden. We dachten ‘laat maar, we gaan met een half jaar toch weer terug’. Al snel bleek dat we nooit meer terug konden naar Nederlands-Indië. Toen het winter werd vroegen we onze tante Mien ons te roepen als het ging sneeuwen en ja hoor, midden in de nacht werden we gewekt. ‘Oedjan kapok, oedjan kapok’ riep mijn moeder, ‘wat wattenregen betekende en midden in de nacht liepen we in onze pyjama’s door de sneeuw.


Het was een hele belevenis’. ‘Toen wij naar Nederland kwamen waren we met z’n achten. Vader, moeder en zes kinderen. Dat was sprokkelen in het begin, mijn vader had wel zijn salaris, maar daar konden we moeilijk van rondkomen. Ik ben direct aan het werk gegaan, eerst in een schortenfabriek, later in een kousenfabriek. In Nederlands-Indië had ik mijn type- en stenodiploma gehaald en toen mijn vader eens naar het Ministerie van Defensie in Den Haag moest ben ik met hem meegegaan en heb daar gesolliciteerd. Ik werd aangenomen en kwam zo in Den Haag terecht. Ik heb daar mijn man leren kennen, ook een militair, die als oorlogsvrijwilliger terug was gekeerd uit Indonesië. Hij wilde graag weer terug en ik zou met hem meegaan. Mijn man moest toen voor de dienst naar Nieuw-Guinea en ik zou later volgen. Omdat ik zwanger was van mijn eerste kind, moesten we eerst trouwen. We zijn toen ‘met de handschoen’ getrouwd. Mijn man in Nieuw-Guinea, ik in Nederland. Uiteindelijk bleek de situatie in Nieuw-Guinea niet geschikt voor een jonge moeder met een baby, zodat we voor een toekomst in Nederland kozen. Mijn man kwam in 1953 terug naar Nederland en werd in Harderwijk gelegerd. Wij kregen in 1954 een woning in de Marijkelaan.


Omdat we twee kinderen (Joan & Roy) hadden kregen we een urgentieverklaring en redelijk snel een huis. Ook in Nederland heerste toen grote woningnood. ‘Die eerste tijd in Harderwijk was niet gemakkelijk. Er werd op je gelet en de buren stonden regelmatig voor het raam om te kijken wat je deed. Maandag was wasdag, dinsdag ramen lappen, woensdag gehaktdag e.d.


Ik moest dat allemaal leren en er werd streng op gelet dat je je aan die ongeschreven regels hield. Ik kreeg snel mijn derde baby, Louise die erg blank van huidskleur was. Mensen vroegen zich hardop af hoe ik aan zo’n blank kind kwam.


Ik heb het vaak in de buurt moeten uitleggen. Mijn kinderen werden vaak pinda’s genoemd door andere kinderen. Achteraf denk ik, ze weten niet beter, maar ik voelde me toch gediscrimineerd. Ik heb mijn kinderen nooit geleerd om te schelden maar wel om voor zichzelf op te komen en zich te verdedigen. Ik heb een andere moeder eens uitgemaakt voor ‘rode olifant’ en die kwam zich prompt aan de deur beklagen. Het was allemaal niet zo kwaad bedoeld, maar we telden niet volwaardig mee, terwijl we al een hele moeilijke geschiedenis achter ons hadden’.


De sociale dienst hielp onze familie met een voorschot, maar we moesten alles tot de laatste cent terug betalen. Toen we op de boot naar Nederland zaten, kregen we in Port Said warme kleren, omdat we net voor de winter in Nederland aankwamen. Mijn moeder liep in een oude soldatenjas, en behalve onze kleren en wat souvenirs hadden we niets meer.


In Nederland konden we wat meubels kopen maar mijn vader heeft alles terug betaald. We hebben drie keer ons huis moeten verlaten om te vluchten en daarbij alles verloren. Onze familie is uiteengevallen, één broer en zussen zijn naar de Verenigde Staten en Canada geëmigreerd, in de jaren vijftig en zestig kregen ze gemakkelijk toestemming om zich in de VS te vestigen.

Onze familie heeft iets met het leger. Mijn vader was onderofficier bij het KNIL, mijn echtgenoot bij de Koninklijke Landmacht en ik heb een zoon die tien jaar marinier is geweest en daarna overging naar de Koninklijke Landmacht. Een dochter was officier bij de luchtmacht. Een kleindochter volgt nu de opleiding aan de KMA in Breda en een kleinkind is verbonden aan het Korps Nationale Reserve. Mijn moeder was een Javaanse die hier erg heeft moeten wennen. Het was een wijze vrouw die echter nooit lezen of schrijven heeft geleerd. Ze heeft ons echter veel liefde gegeven en beschaving aangeleerd.


Toen mijn ouders elkaar leerden kennen mochten ze niet trouwen. Pas in 1926 heeft Koningin Wilhelmina een wet aangenomen waarin het huwelijk tussen blanke militairen en inlandse vrouwen werd toegestaan. Daarom zijn wij, de kinderen, uiteindelijk wettelijk erkend. Nederland is een prachtig land en ik ben na al die jaren toch wel een beetje Nederlandse geworden. Toch heb ik heimwee naar Indië, maar Indonesië is niet meer het Nederlands-Indië wat het vroeger is geweest. Je vindt niet meer wat je hebt achtergelaten. Het is een ander land geworden en de mooie wijken van vroeger liggen er verpauperd en verwaarloosd bij.


Het oude Indië komt nooit meer terug. Krontjong muziek, de Pasar Malam en Indisch eten, samen met Indische vrienden, houden we natuurlijk in ere en ik vertel mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen graag over vroeger (Tempo Doeloe).


Ze vinden de verhalen prachtig en luisteren er met grote ogen naar. Samen met een groep ex-militairen ben ik nog eens terug geweest in Indonesië. We hebben daar plekken bezocht waar die mannen gevochten hebben en dat riep na al die jaren veel emoties op. Ze hebben daar ook gesproken met Indonesiërs die destijds bij de TNI hebben gevochten.


Het mooie was dat ze het elkaar uiteindelijk konden vergeven. Soedah, laat nu maar….