▲▲▲▲

OGB Design Indische
Harderwijkers
Welkom Laatste Nieuws KUMPULAN Foto en Film Muziek Familie Albums Onze Veteranen Toen en Nu ... Historie Indische Cultuur Boeken Sociale Media Links Onze Nieuwsbrief Pasar Malam 2022 Contact
Familie Albums

FAMILIE SOMMER


Silvia Sommer, in 1938 geboren in Atjeh, kwam op 6 september 1950 aan in hotel Promenade in de Lindenlaan in het plaatsje Huizen. Net als bij veel andere Indische gezinnen was de vader van Silvia militair bij het KNIL en koos hij voor een toekomst in Nederland. Hij kon aan het werk bij de Landmacht. Moeder zorgde voor de vijf kinderen terwijl vader doordeweeks voor zijn werk naar Breda ging. In Nederlands-Indië had het gezin eerder twee kinderen verloren, een broertje van negen kwam om door een auto-ongeluk en een zusje van anderhalf overleed aan de pokken.


Van de periode tijdens en direct na de oorlog heeft Silvia weinig of geen herinneringen meer, wel weet ze dat het aanvankelijke vertrek, dat in 1949 met de Johan van Oldebarnevelt gepland stond is uitgesteld vanwege een miskraam van haar moeder. Het definitieve vertrek vond uiteindelijk een jaar later plaats en het gezin kreeg tot die tijd een woonplaats in een kamp buiten Batavia toegewezen. ‘Het leven speelde zich geheel in het kamp af, we kwamen daar niet meer buiten, dat was te gevaarlijk.’


OGB Design


Eenmaal in Nederland werd de toen 11-jarige Silvia geconfronteerd met strenge Nederlandse winters met sneeuw en vorst. ‘Het was verschrikkelijk koud en we hadden geen geld om kleren te kopen.’ Het leven in het christelijke dorp Huizen was aan strakke regels gebonden.’ Op zondag mocht er niet gefietst worden en naar de kerk mocht alleen met passende kleding, en die bestond in elk geval uit een ‘hoedje’. ‘Het leven in het pension was verschrikkelijk’ weet Silvia zich te herinneren. Er was nauwelijks ruimte, geen privacy en we moesten hard werken in de keuken terwijl we in Nederlands-Indië een baboe gewend waren. De vader van Silvia werd op de WGF kazerne geplaatst en zo kwam het gezin naar Harderwijk, waar ze in de Irenelaan kwamen te wonen. Het was een opluchting het kleine pension te kunnen verlaten. Het eten was een flauwe Nederlandse prak en er was een enorm ruimtegebrek. De broer van Silvia sliep zelfs tot zijn 13de jaar bij zijn ouders op de slaapkamer en de meisjes deelden met z’n vieren de andere kamer.

De eigen woning in Harderwijk bood in elk geval weer de gelegenheid om zelf te koken en natuurlijk was er meer ruimte.


Het gezin had het niet breed en in 1953 mochten ze kleding uitzoeken uit het rampenfonds dat na de watersnoodramp in Zeeland was opgericht. ‘Hoe het eruit zag was niet belangrijk, als we maar wat om ons lijf hadden.’ In Harderwijk was het leven niet riant, maar het was er wel altijd gezellig en er kon veel. Iedereen kon mee-eten en als het nodig was blijven slapen. Het was een gezellig huishouden, er was altijd wel plaats voor een gast of logé.


Mijn vader was een echte militair en erg streng, vooral voor mijn broer en zussen. Toen hij de dienst uitging wilde hij nog graag wat om handen hebben en is een winkeltje aan huis begonnen, een toko. Het werd de eerste toko in Harderwijk en het was al snel een begrip in de omgeving. In de gang werd een nisje ingericht dat werd gevuld met Indische artikelen en kruiden. Mijn moeder maakte eten klaar voor de kazernes zoals loempia’s en andere hapjes en mijn vader bracht dat weg of bezorgde dat aan huis. De grote fietstassen waren gevuld met bestellingen als hij vertrok. Hij had zelfs klanten in Ermelo, want buitenlands eten kende men in die tijd nog niet. Mijn moeder was altijd in de keuken in de weer en mijn vader bezorgde de bestellingen. ‘Schrijf maar op Sommers’, zeiden veel klanten en vervolgens werd er vaak niet betaald. Ik werd er gewiekst in de rekeningen te innen, mijn vader was daar veel te goeiig voor,’ zegt Silvia.


‘Verder hielp ik mijn moeder mee met de bereiding van rijsttafels en maaltijden die op bestelling werden verkocht. Door de vele Indische mensen in de buurt liep de toko behoorlijk en er kwamen veel mensen bij ons aan de deur om eten te kopen. Ik bleef vaak thuis om de klanten te helpen. Toen mijn vader vijfenzestig werd is hij opgehouden met de toko maar bleef wel bezig. Hij kon moeilijk stilzitten en knapte nog wel eens oude fietsen op die hij vervolgens doorverkocht. Hij deed ook altijd de boodschappen en mijn moeder bleef maar doorkoken. Er was altijd wel een gast aan tafel, soms tot ergernis van mijn vader.’


‘Ik was niet van plan om te trouwen en wilde thuis blijven om mijn moeder te helpen maar het is er toch van gekomen. Ik leerde Hans, mijn man in ‘63 kennen en in ‘65 zijn we getrouwd. We kregen zelf twee kinderen en moesten door het werk van Hans bij de Marechaussee veel verhuizen.’ Silvia Sommer is haar ouders zolang ze kon, blijven helpen en pas toen haar eigen kinderen wat groter werden kreeg ze meer tijd voor zichzelf. Bijvoorbeeld om op zwemles te gaan, want dat was er niet eerder van gekomen. De zwemlessen die ze als pubermeisje in de WGF kazerne had gehad hadden wel tot grote verlegenheid geleid, maar niet tot een zwemdiploma, maar dat haalde ze op haar 53ste alsnog.


Uit Nederlands-Indië hebben we niet veel meegenomen en ik heb ook nooit de behoefte gehad om terug te gaan. Het is ook maar de vraag of ik me al die plaatsten nog zou kunnen herinneren. Voor mij is het in feite te lang geleden. Indisch eten blijft natuurlijk wel belangrijk in onze cultuur en dat doen we dan ook graag.’